Ach lief, laat ons toch lief doen, geef de tijd een kans ons terug te vinden. Hier tussen de varens verstoppen wij ons allergrondigst voor de wereld, op zachte warme bodem liggen wij ademloos als één.
De vredige afwezigheid van mensen gonst in onze oren, we denken erover onze vermoeide hoofden te laten rusten. Een tederheid die doet vermoeden waar het ruisen van het water is en ons laat wachten op de winter.
Bij buurman is er ingebroken, gister. Toen ik thuiskwam vond ik de buitendeur van het portiek al verdacht slecht afsluiten. Lees: hij viel helemaal niet meer in het slot. En bovengekomen constateerde ik dat de voordeur van mijn buurman in het geheel verdwenen was.
Op het bordes was hij samen met een vriend bezig om een andere deur op maat te maken. 'Oh ze zijn bezig met deuren, dan heeft dat gedoe beneden er vast ook mee te maken, ' dacht ik. Het daadwerkelijke verband snapte ik echter pas toen hij me het restant liet zien van wat ooit zijn voordeur was.
In de onderste helft was een gat gemaakt, groot genoeg voor een mens om door te kruipen. Heel veel meer dan een flink broodmes of een paar flinke trappen moeten daar niet voor nodig geweest zijn, want de deuren in ons portiek blijken van het type boardkarton.
Binnen en buiten een heel dunne dekplaat -net voldoende om een laag verf op z'n plaats te houden-, een massief houten rand rondom en in het midden een vulling van: karton. En vooral lucht. Jawel, fucking karton en lucht!
Vandaar dat er in de deur zo gemakkelijk een gat te maken was geweest. Iets wat ik overigens nooit verwacht had. Bij een voordeur denk ik ter beveiliging doorgaans aan goeie sloten en zo'n strip langs de rand, die voorkomt dat er een schroevendraaier tussen gezet kan worden. Niet aan het feit dat het binnenste van de deur bestaat uit, nou ja, feitelijk niets.
Direct volgde de realisatie dat hij/zij/ze ook mijn deur had(den) kunnen kiezen om een gat in te zagen. Per etage liggen twee identieke deuren tegenover elkaar. De kans per etage, als het op keuze aankomt, is dus fiftyfifty. Of was. Buurman, namelijk, heeft nu de meest solide voordeur van de stad.
Vandaag vertrok ik dus met gemengde gevoelens naar mijn werk, want niet alleen heb ik zo'n flutvoordeur, ook de portiekdeur moet nog hersteld worden. Het voelt dus alsof ik vertrokken ben en de deur wagenwijd open heb laten staan. Heel erg naar, ondanks dat ik ook wel begrijp dat ik niet altijd thuis kan blijven zitten.
Vanavond haal ik dus een paar stukken fatsoenlijk plaatmateriaal, houtlijm, een assortiment schroeven en een scherp boortje. En met een stevige dosis tegenzin offer ik dan de rest van mijn avond op aan het op maat maken en bevestigen van het plaatmateriaal tegen de binnenzijde van de deur, daarbij gebruikmakend van de massieve rand.
Knappe jongen die er dan nog met zijn voet of een broodmes doorheen komt.
Over broodmessen gesproken: Afgelopen nacht in mijn slaap had ik -naar aanleiding van het hele gebeuren- de meest fascinerende dromen over onrecht en vergelding. Toen ik wakker werd was ik nog steeds bevangen in een tweevoudig mantra dat luidde: Sterf klootzak, sterf klootzak, sterf...
(Overigens: ondanks braak geen diefstal bij buurman. Da's tenminste nog een soort-van-meevaller)
(Oh, mijn mantra is ook van toepassing op de veroorzaker(s) van echt groot leed in deze wereld)
Ooh, ik haat haat haat de techniek achter websites. Waarom moet alles zo godsgruwelijk ingewikkeld in elkaar steken? Ja, ik heb wel geduld. Als het gaat om leuke dingen, dan is het eindeloos. Maar de techniek achter websites is NIET leuk. Ik herhaal:...ach nee, laat ook maar.
Nee, ik ben geen digibeet. Iets als photoshoppen kan ik met mijn ogen dicht, maar html en css zijn voor mij als braille voor iemand met haviksogen. Inefficiënt, en aldus een ramp. Als ik dan toch een poging waag, dan geef ik het snel weer op uit pure frustratie.
Ik kan er zo kwaad om worden -die onmacht- dat ik in staat ben om mijn toetsenbord door mijn monitor heen te rammen. Het drijft drijf drijft me tot WAANZIN! Geen vrouw heeft me ooit zover over de zeik kunnen krijgen, nou html+css wél.
Resultaat, dat is wat ik wil. Dat mijn handen dingen doen die ik begrijp en dat ik mijn handelen direct kan zien. Compleet gestoord raak ik van de moeite die het kost om zelfs het meest eenvoudige idee werkend op mijn scherm te krijgen.
Waarom is het bouwen van een website niet net zo simpel als het schrijven van een goeie tekst? Proef de frustratie in de overmoedigheid van die laatste vraag toch eens...! (Mijn ogen zijn inmiddels rood van kleur, en ik laat satanisch gekrijs opstijgen vanuit de werkkamer)
Een ieder begrijpt dat ik dit weblog binnenkort eens wil gaan voorzien van een nieuwe layout. Of nee, ik bedoel natuurlijk EEN layout. Kladblok is er namelijk niets bij; een heel klein beetje meer poëzie kan het allemaal wel hebben, ook al gaat het om de woorden. Beloftes daarover doe ik echter pas als ik uit gevloek-vloek-vloekt ben...
'Wat zal ik zeggen. De dagen die ik had, ik heb ze verwaarloosd, ik heb ze grotendeels verslapen. Het beste heb ik er niet uitgehaald, want ik wist absoluut niet waar te beginnen en ik was moe. Heel erg moe. In mijn gedachten zoek ik steeds naar wat die dagen hadden kunnen zijn, maar ze zijn inmiddels over, dat weten we allebei. Zo beloftevol -of nee, hoopvol- als ze vooraf leken, zo vlak en flets waren ze toen ik ze daadwerkelijk beleefde. Althans, de uren dat ik wakker was. Ze komen nooit meer terug, die dagen die ik zo verwaarloosd heb. Geen enkele kans heb ik benut, terwijl er nu de gelegenheid voor was. Iedereen doet altijd van alles in z'n vakantie en ik deed niets. Helemaal niets. Begrijp je wat ik bedoel?'
In het vieren van vakantie ben ik slecht. Dat is althans de conclusie die ik alvast moet trekken. Hij duurt nog een paar uur, die vakantie van mij, maar er is niets meer aan te redden. Zeker niet in korte tijd. Als ik de dekens straks tot over mijn hoofd getrokken heb, dan is het onherroepelijk voorbij.
Morgen geef ik waarschijnlijk andere, sociaal wenselijkere, antwoorden op dezelfde vragen: 'Vertel E., hoe vond je ze, de dagen die je vrij had? Heb je ervan genoten? Heb je nog iets leuks gedaan?' Er is geen ontkomen aan, dus dan zal ik zeggen dat ik goed uitgerust ben. Dat wel.
Eerst nog een laatste sigaret en nog een groot glas wijn, dan pas ga ik slapen. Als ik morgen weer wakker word, dan strekt er zich weer een werkweek voor mij uit. En daarna nog een, en daarna nog een. Dat ik dat niet erg vind, helemaal niet zelfs, bevestigt het.
Ik ben er écht slecht in, dat vakantie vieren.
'Haar zou ik wel doen,’ zei ik gisteravond tegen R.
We zaten aan de bar en ik knikte naar de dichtstbijzijnde brunette bij de lage tafeltjes.
‘Huh, háár!?’
‘Ja, waarom niet, ze ziet er toch OK uit? Nou dan!’
‘Niet om het een of ander, maar was jij niet diegene die ooit een heel betoog tegen mij hield over trouw blijven aan jezelf. Zo iemand die zich nooit zou laten verleiden tot zoiets oppervlakkigs? En nou verkondig je nagenoeg hetzelfde als ik destijds’
‘Dat was ik ja, ik zal het niet ontkennen. Maar dat was toen, dit is nu.’
‘Ok, ok. Een mens kan van mening veranderen, natuurlijk. De vraag is dan alleen: waarom? Waarom ben je van mening veranderd, en waarom haar? Ken je haar ofzo?’
‘Nee, ik ken haar niet. Maar toen ze zich net omdraaide en voorover boog om de glazen van de bar te pakken keek ik -per ongeluk, ik zweer het- tot diep in dat shirtje van haar en tjésus wat heeft ze mooie bleke borstjes. Precies goed. Althans, zeker niet vervelend.'
'En daarom zou je haar wel willen doen?'
'Nou ja, dat was de reden waarom ik dat zei. Het beviel me gewoon wat ik zag.’
‘Nou, vooruit dan maar,’ en R vervolgde, ‘Wat ga je er eigenlijk aan doen?’
‘Ik? Niets, natuurlijk. Ik zeg alleen maar wat; je kent me’
R begon te grijnzen en riep 'Hé Laura'
Laura draaide zich naar ons toe.
‘Weet je wat hij net over je zegt?...’
(Eerder schreef ik: Kroegpraat, een anekdote)
De afgelopen tijd bestudeerde ik precies welke spiegelreflexcamera ik zou willen aanschaffen. Voors, tegens en heel veel nutteloze meningen staan er op het wereldwijdeweb. Bij mijn zoektocht naar informatie stuitte ik op een stuitend (ha-ha) gebrek aan argumenten en ernstig compensatiegedrag.
Er wordt gescholden, er wordt beledigd. Als het allemaal niet virtueel zou zijn, dan zouden er zeker gewonden vallen. Maar jongens -dat zijn het zonder uitzondering- bedenk eens dat het hier slechts gaat om een spiegelreflexcamera. Een massaproduct kortom, en niet om de aanranding van jullie nichtjes.
Dus kalmeer.
Desondanks heb ik een keuze kunnen maken, en deze onderaan mijn verlanglijstje toegevoegd. Het zal dus nog even gaan duren, want voor iedere euro zal nog gewerkt moeten gaan worden. En hard ook.
Het begint met een gedachte. Vakantie is vrij, is niets doen. Niets hoeven doen vooral. Dus waarom zou je plannen maken? Nou, omdat doodverveling op de loer ligt, zelfs voor iemand die zich nooit en te nimmer verveelt. Dat krijg je als je ongeoefend zomaar niets gaat doen. Er is altijd wel een afgrond nabij.
Eerst probeer je dat zwarte gat nog te dempen met zuivere gedachten, een eenvoudig dagritme en vele uren slaap. Je weet vooraf dat het niet gaat werken, maar je doet het toch. Met proberen heeft het eigenlijk niets van doen, je weet de uitkomst immers al. De hopeloosheid van het graven van een kuil op het strand bij opkomende vloed.
Je treft jezelf aan, al tastent in het donker, langs de randen van de doodverveling. Zoekende naar een kleine doorgang. Ergens voorbij die grens, daar bevinden zich de groene-grazige-weiden-der-fantasie. Het licht zal er oogverblindend zijn, de lucht koud en helder. Vingertoppen zullen er beginnen te tintelen, ongeduldig tot het aanvangt.
Daar is het leven.
De inlossing van het verlangen naar het moment waarop je gedachten zullen losweken van je vermoeide lijf. Waar realiteit van geen betekenis meer is en alle complexiteit zich concentreert tot een handzame kluwen die zich metersdiep laat begraven, op een wonderschone plaats waar bloesems bloeien.
Voor je in de stad komt wonen zijn er een aantal dingen die je nooit in je leven zult doen. Het is fijn om die zekerheid te hebben. Op dat moment leef je nog in de illusie dat hoe ouder je wordt, hoe zekerder je van die zaken zult zijn. Tot het moment dat de stad je breekt en al je zekerheden afvlakt; je hebt geen keus meer.
Standvastigheid is ten dode opgeschreven als je in een stad woont. Het leven is hard, maar in steden nog net iets harder. Na een aantal jaar leven in de stad verlang je onherroepelijk terug naar de gemoedelijkheid van een onveranderlijk dorp. Naar mensen die iets menselijker lijken.
Het zijn de complexiteit en schaal van de stad die er voor zorgen dat je voor de bijl gaat. Ze maken dat het onmogelijk is om je oude illusies te leven. Aanpassen is overleven, wat dat betreft is de stad natuur. Nergens verander je zo snel als in een stad en nergens anders gaat dat zo onmerkbaar.
Voor je het weet begint er weer een hectische dag waarop tijd en ruimte geen plaats zullen bieden aan wie je bent. Met de zon stralend in de rug fiets je richting het centrum, om daar geld te gaan verdienen, en dan besef je het ineens.
Op dat moment zie je -kort en helder- wat een stad precies is en wat een stad precies doet. Dan komen de herinneringen aan wie je vroeger was en welke illusies je toen nog koesterde en dan verlang je terug. Het is de dag dat je de stad vervloekt, zonder dat het consequenties heeft.
In sommige gevallen ben ik geneigd om toe te geven dat ik soms wat jong ben; in mijn doen en laten, dan. Zeker gezien mijn werkelijke leeftijd. Gelukkig ben ik dat in mijn denken niet, en ook al mijn andere zaken zijn goed op orde. Er zijn vast genoeg mensen die gevoelens van jaloezie zouden koesteren, als wisten zij hoe goed ik de zaken precies op orde heb.
Verder kunnen we best vaststellen dat ik eigenlijk gewoon een broekie ben (ook dandy en charlatan ben ik onlangs nog genoemd) en dat ik me daar allerminst voor schaam. Van de grote-dingen-des-levens heb ik immers zo ongeveer alles wel een keer gedaan/gezien/ervaren. De rest is een herhaling van zetten; aan het einde lach je om alles. Een spel wordt pas leuk als je de regels doorgrond hebt.
Natuurlijk, af en toe kan ik nog wat onbezonnen uit de hoek komen, zelfs na zoveel jaren oefenen op dat-ding-dat-leven-heet. Dan doe ik weer de meest vreemde dingen, zonder erbij na te denken. Vaak zijn het andere mensen die mij dan op mijn gedrag aanspreken, en dan ineens, dan zie ik waar ik eigenlijk mee bezig ben.
Oh?!Ik?Euh..?Oeps!
Voor de uitspraken die ik doe geldt min of meer hetzelfde. De nuance is soms ver te zoeken, maar af en toe is het ook nodig om juist die rol te spelen. Het maakt de grote lijnen helder en het is dé manier om een stap verder te komen in het algemeen. Bovendien, een uitspraak is uiteindelijk ook maar een uitspraak.
Zolang ik blijf wie ik ben, dat is niemand in het bijzonder, maakt het totaal niet uit wát ik zeg. Mijn invloed is immers beperkt. Precies die houding houdt me eeuwig jong en vrolijk, ondanks de grote wijsheid die erin besloten ligt. Is het niet heerlijk?!
Ondanks dat ik me helemaal niet bezighoud met uiterlijkheden -ik kam mijn haren zelden- hoop ik toch iets uit te stralen van wie ik ben en daarmee ook wat ik vooral NIET ben. Dat is een kwestie van jezelf zijn en niemand anders en altijd was ik in de veronderstelling dat wel in de vingers te hebben, tot vanmorgen.
Toen maakte ik kennis met de nieuwe Gall&gall-caissière. Ze vroeg me -zomaar vanuit het niets- om mijn legitimatie toen ik een fles flink straffe rode wijn wilde aanschaffen. Daarmee sloeg ze de plank ruim tien jaar mis en direct klopten de regels even niet meer met het spel. Blijkbaar was mijn uitstraling, daar en op dat moment, niet in overeenstemming met mijn persoon. Blijkbaar was ik op dat moment niet ik.
Gek genoeg voelde ik me daardoor niet jonger, zoals je zou verwachten, maar eerder ouder. Veel ouder. Ze schaamde zich toen ze de geboortedatum op mijn- eveneens (bijna) tien jaar- verlopen id-kaart zag. "Ja, sorry. Je ziet er ook zo jong uit!" giechelde ze."Tjah, wat moet ik daar nou op zeggen?" zei ik grijnzend. Nooit eerder keek ik een caissière zo lang wederzijds, rechtstreeks en stilzwijgend aan.
Ze had waanzinnig mooie blauwe ogen, ter grootte van -pakweg- twee oceanen en ik verdronk er langzaam in. "Eeuhm...Tjah," zei ze tenslotte. We rekenden verder af en ik voelde me weer jong. Veel jonger.
Terwijl ik een sigaret rookte liep ik door de stad te dwalen. Eigenlijk had ik geen doel, behalve door de stad lopen en even buiten zijn. Het beste moment is als de schemering al begint in te vallen.
Het was eindelijk weer herfst genoeg voor mijn lange wollen jas -die met een goeie kraag om op te zetten- en overal verwaaide haren. Zo'n dag waarop afgevallen bladeren door de straten wervelden.
Zo liep ik door de stad, en afentoe liep ik een winkel in. Ik kocht ergens goeie zeep en gemalen koffie bij een speciaalzaak en een goedkope pocketroman uit een bak die buiten stond bij een handel in tweedehands boeken.
In de buurt van het marktplein vroeg een mooi blond meisje me om een vuurtje. Ik gaf het haar in ruil voor haar naam, stak zelf ook nog een nieuwe sigaret op en zette koers op huis aan.
Net moest ik denken aan een gedicht van Alexis de Roode. Het gaat over een springhond. Eentje met maanstraalhaar. Om het exacte gevoel erbij te krijgen raad ik je aan om het gedicht een keer te lezen.
Volgens de recensies is het een van de flauwere gedichten uit zijn bundels. Ik vind het een van de mooiere.
Maar god, wat weet ik nou van poëzie?
Net stond er een hond tegen mij op te springen, en toen moest ik aan dat gedicht denken. Soms kunnen de dingen zo simpel zijn.
Eerst probeerde ik het blaffende beest nog vriendelijk weg te duwen. Het was echter hardnekkig en moest daarna een paar petsen op zijn snuit incasseren. Dat hielp gelukkig wél.
Dat gedicht gaat natuurlijk over heel iets anders, maar liever laat ik het allemaal lekker ambigu zijn. Dan maakt het helemaal niet zoveel meer uit waar het gedicht eigenlijk over gaat.
Op bepaalde momenten zijn we allemaal wel eens een springhond.
Omdat de dure waardeloos zijn.
Buiten is de mensenwereld tot rust gekomen. De chaos van de dag lijkt onvoorstelbaar op dit tijdstip. Of eigenlijk lijkt ALLES onvoorstelbaar op dit tijdstip, want dit moment is het verdwijnpunt van alle complexiteit. Alleen de regen en wind en ik zijn nog wakker. Zo simpel kan het zijn.
Alle gebouwen in de straat staan versmolten tot een vlak, in donkere tinten tussen zwart en grijs. De gevelopeningen kijken als ogen diepverzonken in hun kassen de duisternis in en slaan zwijgzaam gade, oordelen kunnen ze niet.
Ze kijken en ze zwijgen.
De lantaarnpalen geven een flauw schijnsel waarin de vallende regendruppels op kleine vonkjes lijken. Ze springen alle kanten op, ik kan er eindeloos naar kijken. De lantaarn op de hoek is kapot, daar is het donker dieper en vonkt het niet.
Achter één van de donkere ramen, daar sta ik en kijk naar de nacht. Daar wacht ik tot ik verdwijn. Tot ik onvoorstelbaar ben en langzaam word als een gebouw in de nacht; donker, stil en zonder oordeel. Zo simpel wil ik dat het is.
Buiten is het weer nu -voor Nederlandse begrippen- behoorlijk aangenaam. Toch blijf ik binnen, en probeer te lezen. Natuurlijk, ik zou op het balkon kunnen gaan zitten, maar ik doe het niet.
Of nee; ik kán het niet. Niet vandaag, want mijn hoofd is zwaar. Zwaar van alle gedachten die er de afgelopen week ingeslopen zijn. Het is bijna niet te tillen, dat hoofd van mij. Ik zou willen dat het lichter was, voor mijzelf en voor de wereld.
Wat ik ook wil.
Ondertussen zijn er de gedachten, ze vormen zich als regenbuien in de verste uithoek van de kamer, daar waar het donker is. De wereld en ik verdragen elkaar eventjes niet en ik verwacht dat het gaat hozen.