Vrijdagmiddag, het was warm in de stad. Nederlands warm, dus direct ook oncomfortabel. Na een week noeste arbeid sleepte ik mezelf naar mijn favoriete kroeg en vond nog een goeie plek ergens in de zon. Het terras zat min of meer vol en mannen in roze overhemden dronken grote glazen witbier.
Het waren er bij elkaar een stuk of twaalf en ze lachten behoorlijk luidruchtig, die mannen in roze overhemden. Hoe overdreven ze eigenlijk lachten werd me pas echt duidelijk toen ik er op begon te letten. De kleur van de overhemden hielp daar al helemaal niet bij, want alles wat een man in een roze overhemd doet is overdreven.
Per definitie.
In mijn hand had ik inmiddels ook een groot glas witbier. Een observatie die mij deed besluiten bij het volgende rondje op zijn minst een dubbele whisky te bestellen. Zonder ijs. Al was het maar om associaties met die overhemden te voorkomen.
De meest spitsvondige grap, de meest geslepen vorm van humor of de meest meesterlijke kwinkslag, niets, en ik herhaal, NIETS, kon mogelijkerwijs het overdreven lachen van deze mannen in roze overhemden rechtvaardigen.
Kortom, het betrof hier de reinste vorm van uitsloverij. Een vorm die eigenlijk alleen te rechtvaardigen is in een mannen-onder-elkaar-situatie. Maar dát was nu niet het geval. Integendeel. Mannen in roze overhemden zijn namelijk gek op middelmatig mooie vrouwen. En die waren er bij.
Ook een dozijn.
Helaas voor de mannen, maar meer kon ik er niet van maken. Dan bedoel ik natuurlijk het waardeoordeel 'middelmatig', en niet het aantal. Zelfs niet toen ik ze tussen-m'n-oogharen-door probeerde te bekijken. Maar nee, het bleven echt middelmatig mooie vrouwen, van middelbare leeftijd bovendien.
En toch, ze brachten de hoofden van de mannen in roze overhemden op hol.
Ze lieten zich de uitsloverijen quasi-goed welgevallen en dronken ondertussen duurbetaalde zoete witte wijn. Een tafereel dus, van halfslachtig hard-to-get spelen en ondertussen zoveel mogelijk drinken. Maar ach, wat wil je, als je omringd wordt door mannen in roze overhemden die zich uitsloven. Dan kan de lat niet hoog laag genoeg liggen, me dunkt.
Cheers!
Omdat de dure waardeloos zijn.
Mijn hoofd voelt aan als een lege kamer en in de vloer van die kamer zit een gat. Als ik langzaam naar de rand van het gat schuifel en aarzelend in de diepte tuur, dan zal ik niets zien.
Voor die wetenschap hoef ik niet eens daadwerkelijk te gaan kijken. Ik heb het eerder en vaker geprobeerd en iedere keer zag ik niets. Helemaal niets.
Alleen de kamer en het gat.
1. Wat is dat toch met vrouwen en manier waarop ze hun haren in model houden? Dan bedoel ik niet het kapsel, maar de clipjes, elastiekjes, strikken, linten, en andere nuttige verfraaiingen. En dan nog specifieker: wat is de reden dat dergelijke spullen altijd achterblijven als er hier een vrouw in huis is geweest?
Misschien is het een door het geslacht zo bepaalde nonchalance, maar dan wel een erg hardnekkige. Altijd als ik benieuwd ben of er, zoals in alle goeie films, verdwaald ondergoed is achtergebleven op de vloer van m'n slaapkamer, dan vind ik haarspelden. Of elastiekjes.
2. De eerstvolgende vrouw die het geweldig vindt dat ik hier zoveel ruimte voor mezelf heb, die krijgt van mij de stofzuiger aangeboden om eens een grondig rondje te maken. Een gewaarschuwde vrouw telt voor minstens twee.
En dan heb ik het niet over een rondje met ronde hoeken en half toegeknepen ogen. Nee, dan bedoel ik echt het serieuze werk. Want pleuriswerk dat is het, dat serieuze werk. Heel veel vierkante meters pleuriswerk.
3. Ja, ja. Dat klinkt allemaal alsof ik ineens de huisman aan het uithangen ben en een grote schoonmaak aan het houden ben. Wel, dat klopt. En ik haat het.
Vandaag was de lege-flessen-automaat van mijn AH buiten gebruik. Dat is helemaal niet erg, want lege flessen lever ik zelf vrijwel nooit in, wat dat betreft ben ik echt een soort hamster.
Het viel me op dat de automaat buiten gebruik was, doordat de hele automaat uit elkaar lag en in ongeveer duizend onderdelen op de vloer uitgestald was, zo in de omgeving van waar het apparaat normaal in de wand verdwijnt.
Te midden van al die indrukwekkend ingewikkeld ogende onderdelen, daar zat de automaten-man met een blauwe stofjas aan en een leesbril op het puntje van zijn neus. In zijn hand had hij een van de onderdelen en met een heel erg klein schroevendraaiertje was hij iets aan het bijstellen. Met het puntje van zijn tong uit zijn mond, in opperste concentratie.
"En mijn flessen dan, moet ik die nu weer meenemen, dan, ofzo?" Vanaf mijn linkerkant, vanuit het niets.
Een vrouw van een jaar of vijftig, van het type grachtenpand-bewoner. Ze wist in elk geval te melden: "Dat het godgeklaagd was dat de automaat niet in werking was, en of dat gedoe voortaan niet op zondag zou kunnen, zodat zij er geen last van had. En dan dat werkvolk ook altijd, begrijpen ze dan nooit eens iets? Dat kunnen ze zelf toch ook wel bedenken? Maar nee, nadenken dat doen ze nooit, he?!" En zo verder.
"Mevrouw werkt graag op zondag, begrijp ik?" zei de automaten-man met een ontzettend sarcastisch gezicht, om zich direct weer op zijn onderdeel te concentreren. In het karretje van de vrouw spotte ik zo'n drie lullige flesjes die ze weer mee terug moest nemen.
"Nee, maar er wordt hier ALTIJD op de zondag gewerkt, want dat is deze winkel ook open" zo redeneerde de vrouw, die zelf blijkbaar nooit op zondag in de winkel kwam. Ik dacht: "Huh? En de automaten-man reageerde evenmin op die kromme redenatie.
En ze begon meteen wéér over die zondag:"En dat dit echt..."" De automaten-man onderbrak haar, gaf haar zijn verontschuldigingen en zei dat hij er op korte termijn niets aan kon doen, want voordat de automaat goed en wel weer in elkaar zou zitten zou het wel het einde van de dag worden. Fijntjes voegde hij daar nog aan toe dat ze in al haar wijsheid eventueel wel een schroevendraaier ter hand zou kunnen nemen.
Mevrouw was ontzettend beledigd, zo meldde ze, en ging dit zeker nog bij de supermarktmanager aankaarten. De automaten-man zei: "Best," en ging hoofdschuddend weer verder met zijn werk.
Ik kon het bij de kassa's niet laten om er voor te zorgen dat ik nét voor 'mevrouw' in de rij kwam te staan. En ik kon het ook niet laten dat ik daar ontzettend traag ging staan doen, ik schoot gewoon écht niet op. De vrouw hoorde ik al snel overduidelijk zuchten en snuiven van ongeduld. Mijn tactiek werkte dus!
Voor de vorm liet ik nog iets van de band vallen..., en wat was mijn pincode nou ook alweer? Hmzz...
"Godverdomme kankerlijer..!" Gilde een man met een snor op een opoefiets, terwijl ik hem met meer dan genoeg ruimte kruiste op het fietspad. Wat daarna nog volgde weet ik niet, want ik luisterde niet meer. Naar mensen die hun betoog met "God.." beginnen, luister ik per definitie niet, laat staan als "kanker" daarop volgt en die mensen ook nog een snor hebben. Me dunkt.
Bovendien; voorrang in het stadsverkeer moet je nooit afwachten, voorrang moet je némen, zeker als de kans zich ruimschoots voordoet. Waren er juist maar wat meer mensen die een dergelijk concept zouden hanteren, dan zou het allemaal eindelijk eens een beetje vlotter gaan, dat fietsen door de binnenstad van Utrecht.
In dit geval kon ik het al helemaal niet laten om mijn voorrang te claimen, want ik schatte in dat het nog minstens een uur ging duren voordat snorremans de kruising over zou zijn. Het gescheld verbaasde me dan dus ook, want voordat het begon leek hij volledig in trage gedachten verzonken en te fietsen met dito snelheid.
Dus ik hoorde mezelf terugroepen: "Pak me dan!" En weg was ik. In geen honderd jaar zou deze man me er ooit uit kunnen fietsen, want niet alleen had hij een overduidelijke handicap in communicatie én een snor, ook was hij behoorlijk vadsig.
Het verhaal kreeg echter nog een onverwachte wending.
Eigenlijk was ik snorremans alweer totaal vergeten, zoals dat gaat met scheldende mensen op straat, tot ik de volgende dag de deurbel op kantoor beantwoordde en hij voor m'n neus stond. *Slik* Direct voelde ik me een beetje ongemakkelijk, want ik had hem immers "Pak me dan" toegeroepen...
Ik dacht: "Oh shit, hoe heeft ie me in godsnaam gevonden? Op mijn werk, nota bene! Ik kan hier geen kant op! Hoe ga ik mezelf hier nou weer uit redden?" Dus stamelde ik iets in de richting van: "Kan ik u ergens mee helpen?" en hield me verder van de domme, terwijl ik een voortzetting van de eerdere scheldpartij verwachtte.
Al snel had ik door dat het een bijna onmogelijk toeval betrof, want hij vroeg: "Of het alstublieft mogelijk was om wat suiker en melk voor in de koffie te lenen..." Hij had bezoek en zowel suiker als melk bleken onverwacht op te zijn, hij dronk zelf namelijk nooit koffie, zo doende. Veel belangrijker vond ik echter dat hij me totaal niet leek te herkennen. Sterker nog, hij zei zelfs “U” tegen me.
"Natuurlijk!" riep ik.
Ineens vond ik de wending niet zo ongemakkelijk meer, en besloot een kort praatje te maken, als ware het een steekproef om er eens achter te komen door wat voor mensen ik nou doorgaans uitgescholden word als ik door de stad fiets. Kennis is tenslotte macht en dit soort toevalligheden komen niet zo heel vaak voor.
Eigenlijk verwachtte ik het laagste van het laagste, want alleen het schuim der aarde laat zich immers verleiden tot het nodeloos schelden op vreemden op straat, leek mij.
Prompt maakte totale verbazing zich van mij meester, want snorremans bleek FILOSOOF te zijn. Huh? Onmogelijk! Hij? En de klassieke oudheid dan? What-about-Plato-en-alles-wat-daarna-nog-kwam? En dan dus zoveel jaren later blijkbaar ook nog déze hork? Ieder vak z'n randfiguur zullen we maar zeggen...
Dus, ik gaf hem suiker en ik gaf hem melk en ik wenste hem nog een fijne dag toe en bovendien: heel veel wijsheid!
Dat laatste deed hem fronsen en mijzelf grijnzen. Van oor tot oor.
Ooit had ik een bijbaantje in de uitgestrekte koelcellen van een bedrijf in diepvriesproducten. De chef, R., was een beetje een apart type. Hij werkte er namelijk al ruim tien jaar, daar in die koelcellen, terwijl de meeste mensen het er met moeite een zomervakantie lang uithielden.
In de kantine hoorde ik ooit iemand vertellen dat R. al die tien jaar, iedere dag weer, dezelfde muts op had. Eentje van konijnenbont en met een donkerbruine voering, een imposant ding. Het was zelfs moeilijk om je R. in te denken zonder die muts. "Had iemand hem eigenlijk ooit zonder muts gezien?"
"Nee. Zou ie eigenlijk haar op zijn hoofd hebben?"
In zijn diensttijd had hij hem ooit geruild met een piepjonge Russische militair, tijdens een oefening in het noorden van Duitsland. De Rus, een groentje dat mag duidelijk zijn, was daar het doelwit geweest van nagenoeg iedere grap. Het land verkeerde immers midden in een hittegolf en hij had zijn bontmuts bij zich.
Een halve liter ijskoud bier was dus ruim voldoende geweest voor R. om de geplaagde Rus zijn muts afhandig te maken. En nu liep hij er al tien jaar lang mee op zijn hoofd, daar in die koelcellen. Aan het maken van grappen over de muts was echter niets veranderd. Al tien jaar lang werd R. geen R. genoemd, maar Iwan (de verschrikkelijke.)
Op een dag was R., (of Iwan, dus) ineens verdwenen. Geen opgave van reden en niemand wist iets. "Waar hij eigenlijk woonde?" Niemand had een idee. "Had hij een vrouw, kinderen?" Er kwam geen antwoord.
Alles wat wij eigenlijk van hem wisten was dat verhaal over die muts, en nota bene die muts had hij nu achter gelaten op het aanrecht van het kleine keukentje in de kantine. Z’n allerlaatste statement, dat gevoel hing die dag loodzwaar in de lucht. Later die middag vonden ze hem; hij had zelfs geen briefje geschreven.
Twee dagen later had het uitzendbureau een nieuwe chef weten op te trommelen, M. "Hey, ik ben M., de nieuwe chef!" zo stelde hij zich aan mij voor. Ik gaf hem een hand en drukte hem de bewuste Iwan-muts in zijn handen.
"Hier, deze zul je nodig hebben als je hier voor langere tijd de chef wordt. Aangenaam, ik ben E."
(Over herfst 2008)
Ik sta midden in een massa van ongeveer tweehonderd mensen en we staan aan het begin van een herfstdag met zijn allen op een veerpont. De pont is als een reflectie van de bovenliggende lucht, blauw met wit.
We staan als een zwijgzame massa te wachten tot de pont bij het volgende eiland is en de slagbomen aan het uiteinde van het dek weer open gaan. Dan zal de massa mensen zich vervangen voor een nieuwe massa.
Daarna vaart de pont verder naar een volgend eiland. De route telt totaal zes eilanden, en neemt daarbij evenzoveel massa's mensen met zich mee. Een ritme dat de hele dag zal duren, tot het einde van de dienstregeling.
Ik ben net begonnen aan mijn derde rondje en heb nog geen idee wat ik vandaag ga doen.
even doorbijten het went vanzelf tenminste dat dacht ik zelf ooit mijn mobiele telefoon roept agressie op bij mijzelf voornamelijk dan toch maar gekmakend is het wel ooit heb ik dit model gekozen vanwege de prijs ik tastte naar de absolute bodem van de telefoonmarkt en zo vond ik mijn huidige mobiele telefoon een motorola f3 nieuw in doos en ruim onder de twintig euro
simlockvrij stond er zelfs op een oranje sticker
nu u zich misschien afvraagt waarom dit stukje zo kut geschreven is dat zou ik me inmiddels namelijk gaan afvragen welnu dat is nu het delen van de frustratie die bovengenoemde agressie oproept het is namelijk een ongelofelijke stompzinnigheid van de ontwerpers dat de bewuste mobiele telefoon niet in staat is tot het gebruik van leestekens en of hoofdletters
had ik al gezegd dat mijn mobiele telefoon mij agressief maakt
dat ik geen nieuwe koop en me eigenlijk al twee jaar erger aan het ding heeft er mee te maken dat ik uit principe niet zo snel iets weg zal gooien dat verder nog perfect werk perfect werkt ja er is niets op af te dingen want alles werkt zoals het hoort ook het ontbreken van leestekens of hoofdletter werkt zoals het hoort volgens motorola
ik hoop dat u er inmiddels ook enigszins agressief van wordt
georges perec riep zo een beperking ooit bij wijze van experiment over zich af door een roman te schrijven waarin de letter e geheel niet voorkwam alleen in zijn naam op de kaft maar ik heet potdikkemme toch geen georges perec hoewel ik de telefoon natuurlijk wel vrijwillig heb aangeschaft maar toen nog niet wist wat ik nu wel weet
er is in ieder geval een grens en die is nu eindelijk overschreden de tijd en frustratie hebben hun werk traag maar trefzeker gedaan en dus moeten de principes een beetje in de juiste richting gebogen worden en gaan we op zeer korte termijn eens zien of alles nog steeds zo goed werkt als ik dat ding vanaf drie hoog op de stoep kalefater
ha dat zal het kreng leren en mijn principes blijven ongeschonden
zou het straks vreemd overkomen als ik in de telefoonwinkel vraag naar de goedkoopste telefoon in het assortiment met de mogelijkheid tot het schrijven van leestekens en hoofdletters zo ja dan schrijf ik tegen die tijd wel een stukje voorzien van interpunctie waarin ik omschrijf hoe hard ik door de telefoonverkoper uitgelachen werd
en natuurlijk hoe agressief mij dat maakte
Sinds ik mijn schrijfsels hier online zet, valt er zo afentoe een compliment in mijn inbox. Soms van bekenden, soms van volgslagen onbekenden. Of het krijgen van complimenten voor wat ik hier schrijf terrecht is, daar zal ik zelf niet over oordelen. Ik accepteer ze echter zonder morren, net als negatieve berichten overigens. Het is tenslotte allemaal maar 'spielerei', vér bezijden de waarheid óf louter fictief. Kortom, ik neem mijzelf niet al te serieus als het om schrijven gaat. En dat hoeft gelukkig ook niet.
Laatst ontving ik het volgende van iemand die ik offline ook behoorlijk goed ken:
"Leuke stukjes E.! Ik herken je er wel in, alleen ben je tijdens onze confrontaties nooit zo poëtisch. En je stelt je al helemaal niet op als verhalenverteller, of komt dat omdat ik altijd alles met een grap af doe? Waar ik je met name in herken is de manier waarop je dingen omschrijft, die manier komt overeen met hoe jij op mensen wacht en hoe jij je als 'eenzaam' personage tussen de mensenmassa door beweegt."
Een omschrijving, dat moge duidelijk zijn, die mij perfect past.
Het is weer eens volledig mis gegaan. Een beetje doen alsof ik op mijn leeftijd (kuch) nog principes ken. Ik en een zelfopgelegd rookverbod. Dat is natuurlijk vragen om het verbreken er van, want zo ben ik. Ik verbreek zelfopgelegde verboden.
Nou moet ik wel eerlijk zeggen, dat het tot nu toe eigenlijk heel aardig ging. En dat al nagenoeg een volledige maand lang. Maar ja, er zijn altijd van die dagen. Probleemgevallen zouden dat misschien 'moeilijke momenten' noemen. Ik niet, want degelijke termen roepen bij mij een innerlijke agressie op die welhaast niet binnen te houden is. Maar zoiets was het dus.
Er was feitelijk alleen een geweldige zomeravond voor nodig om mij overstag te krijgen. Wijn, bier en goed gezelschap, dat waren de factoren die mij nog veel verder over de streep trokken. Roken deed ik dus. Tot het pakje leeg was, maar liefst. Gelukkig was het pakje al niet vol om mee te beginnen, maar ook als dat het geval geweest was...
Het was een mooie avond, gisteravond! Maar op dit moment, en dan moet ik weer eerlijk zijn, voel ik mij verre van optimaal. Want, het was bovendien een lánge mooie avond. Misschien was de avond nog wel langer dan de, voor mijn toestand martelende, werkdag die nu in het verschiet ligt. Het één weegt in ieder geval op zeker tegen het ander op.
Vanmorgen telde ik, op zijn minst, negenendertig lipjes van bierblikjes, zo door mijn huis verspreid, terwijl dat natuurlijk volstrekt onmogelijk is. Ik verzamelde de blikken en de flessen en de lipjes. Toen kwam ook het besef dat ik nu gewoon weer van vooraf aan moet beginnen met dat NIET-roken.
Enfin, de teller staat op nul, het verbod gaat NU (weer) in!