Voor mijn deur staat sinds een paar dagen een fiets. De fiets staat niet op slot,maar gewoon losjes in de beugel. Niemand neemt de fiets mee, want hij ziet eruit alsof hij zeker een jaar op de bodem van een gracht gelegen heeft.
Het is een degelijk ouderwets model herenfiets. Het gehele oppervlak is bedekt met een opgedroogde laag slijk, de banden zijn lek en de ketting ontbreekt. Bovendien stinkt het slijk naar slijk en alles waar dat dan weer uit bestaat. Het is een stinkfiets.
Een schone plek op het zadel doet vermoeden dat er zeker iemand op de fiets gezeten heeft, maar daarbij kan hij onmogelijk op eigen kracht vooruit zijn gekomen, zo met twee lekke banden en zonder ketting. Ik vermoed ook dat die iemand die op de fiets gezeten heeft daarna ook behoorlijk stonk. De stinkfietser.
De hele aanwezigheid van deze fiets zal onverklaarbaar blijven. Het stellen van vragen heeft geen enkele zin, want niemand die het antwoord weet. Er is echter één vraag die zich wel laat stellen en waarop ik straks onherroepelijk het antwoord zal weten, en dat is: "Wanneer verdwijnt de fiets weer?" Want weer verdwijnen, dat zal ie. De stinkfiets.
“Eigenlijk zou ik meer moeten schrijven, veel meer,” roep ik wel eens. Dat is althans, waar ik van overtuigd ben als ik weer nieuwe ideeën heb, maar niet de gelegenheid tot schrijven. Er lijken steeds weer dingen tussen te komen.
En hoe ouder ik word, hoe meer dingen dat lijken te worden. Of beter gezegd, hoe breder mijn interesses zich lijken uit te waaieren. En dat terwijl dat bij de meeste mensen volledig omgekeerd is, die specialiseren zich in iets en roesten daarin berustend vast. Tijd om ongestoord te schrijven lijkt er aldus steeds minder te zijn.
Ten eerste is er het dagelijkse werk, waarvoor ik qua schrijven, eigenlijk alleen maar saaie en zakelijke correspondentie hoef vorm te geven. Vanaf daar drijft het steeds verder af, want dan zijn er weer allerhande sociale bezigheden, die vrijwel geen geschreven woorden behoeven, uitgezonderd verjaardagkaarten of dronken proza in honderdzestig tekens.
Dan is er muziek die iedere mogelijkheid tot iets anders ontneemt uit louter volume, ontroering, fascinatie danwel irritatie. Dat laatste betreft dan de muzieksmaak van mijn buurtgenoten.
Dan zijn er de telefoontjes van mijn ouders die altijd veel te vertellen hebben, omdat zij eindeloos ver bij mij vandaan wonen. En omdat wij elkaar niet al te vaak zien dus ook direct weer veel te lang spreken aan de telefoon.
Dan is het mijn racefiets die, vanuit de hoek van de woonkamer, naar mij lonkt om haar te berijden, als de schone deerne die ze is. Lang en hard, dat heeft ze het liefst, en ik ook.
Dan is het mijn berging die schreeuwt om een ordening die twee hele dagen in beslag neemt. Of eigenlijk was die roep al jaren aanwezig, maar het viel me pas op bij het stappen in een spijker in een plank, een pijnlijk teken dat mij dan tot die tweedaagse ordening dwingt.
Dan is er het bezoeken van vrienden, dan die en dan die. En hoewel ik slecht ben in het bijhouden van dat soort dingen, dat ben ik altijd geweest, hoop ik altijd dat ik dat soort dingen voldoende bij weet te houden, dierbaar als zij mij zijn. Beter te veel dan te weinig is een vuistregel waaraan ik mijzelf al jaren probeer te conformeren, maar maat houden is nooit mijn sterkste punt geweest.
Dan is er het ontmoeten van nieuwe mensen, wat zo mogelijk nog meer tijd kost. Nou ja, het ontmoeten is zo gebeurd, maar dat wat volgt heeft meer voeten in de aarde.
Dan volgen alle rituelen en onofficiële conventies, tot elkanders doorgronding een voldongen feit is. Opdat wij dan met recht en trots kunnen claimen elkaar te kennen, hoe hopeloos en nutteloos dat ook is. (Dat laatste is niet bedoeld als ontmoedigingsbeleid, maar een oefening in realistisch denken)
Dan is er het bijhouden van het bezoeken van wat ik graag mijn stamkroeg zou willen noemen, maar waarvoor ik nog lang niet oud of doorleefd genoeg ben. Daar waar ik toch graag en veelvuldig kom, om een vaste pleisterplaats te hebben in een stad die verder eindeloos in beweging is, als ware het een zee.
Dan is er de hang naar het landschap, de ruimte buiten de stad, en het eigenlijk nutteloze fysieke daar zijn. Die roep blijkt altijd sterker dan het rationele denken over wat ik daar eigenlijk te zoeken heb. En in het ergste geval denk ik dat die rationele gedachte als vanzelf wel zal ontstaan als ik eenmaal daar ben, oh paradox.
Dan zijn er dus de bossen, de zandverstuivingen, de Hollandse kusten, de eilanden, de rivieroevers en de dijken. En sporadisch een polder. Dan volgt de hang naar het water en het varen. Dan volgt later de hang het zwemmen, zoals dat gaat bij varen.
Dan, bij angst voor zwemmen in open water, het bezoeken van een zwembad. Dat bad waar ik direct een ‘tienbadenkaart’ aanschaf, omdat die hang naar zwemmen zo groot is. Vanzelfsprekend zonder de overige negen strippen ooit te verzilveren.
Dan is er de kunst van de grote meesters, die altijd maar op reis is door de wereld. Slechts voor beperkte duur in ons land te bezichtigen, maar nooit te missen, dat spreekt voor zich. Dan zijn er vervolgens nog duizend-en-één dingen, bezigheden en interesses, die uiteindelijk ook gedoemd zijn tot halfslachtigheid, schier vanwege hun aantal.
Dan is er het verlangen om ook ergens in te specialiseren. Om vast te roesten, al is het maar voor even. Om te weten hoe dat is, verstrengeld met een lotgenote, zijnde het mooiste meisje van de klas.
Dan is er uiteindelijk een warme plakkerige avond waarop de regen al uren op zich laat wachten terwijl Limburg al in een zondvloed schijnt te zijn ondergegaan en waarop het lichaam van De Koning op een tweede autopsieronde wordt voorbereid.
Pas dan is het de tijd om iets te schrijven.
Architectuur, daar gaat het over bij de Rietveldprijs. En een project waar aan ik tijdens het gehele ontwerp- en uitvoeringstraject een forse bijdrage geleverd heb, is geselecteerd voor de Rietveld(publieks)prijs 2009! Dat houdt bijvoorbeeld in dat er gestemd kan worden en dat kan via de volgende website en dat er een expositie gehouden wordt bij het Utrechtse Architectuurcentrum Aorta.
Natuurlijk ben ik er enorm trots op dat dit kleine project tussen de toch wel 'grote jongens van de klas' terrecht gekomen is (die in hetzelfde jaar zijn gerealiseerd). Vandaar ook deze kleine poging om een beetje reclame te maken voor de uitverkiezing van de publieksprijs!
David en Goliath zouden wellicht een passende metafoor kunnen vormen, maar in de eerste plaats vind ik het vooral enorm leuk dat ik hiermee een beeld kan geven van waar-ik-nou-altijd-zo-druk-mee-bezig-ben!
Dus ga even naar de site en stem op het project "Onder Professoren" van het bureau Jan Bakers Architecten, tenminst als je dat het beste project vindt. Natuurlijk is een ieder vrij om een ieder naar deze pagina door te verwijzen. Sterker nog: graag zelfs, ZEGT HET VOORT!
Lopen in de zon, dat is soms alles wat je wilt doen. Niets meer, niets minder. Het liefst doe je dat op de speelplaats hierachter. Een vlak van gebarsten beton met roestend speeltuig. Een haveloos landschap, waar nooit een levende ziel te vinden is, laat staan een kind.
Dan slenter je daar, handen in je zakken, rondjes in de zon. Je springt op het muurtje van wat eens een zandbak was, loopt een paar meter en springt er weer vanaf. Soms zet je een voet op de eerste sport van het klimtoestel, terwijl de ander stevig op de grond blijft staan. En dan wissel je van voet. Soms sta je daar wel tien minuten, steeds weer de andere voet zettend op de onderste sport.
Twijfel je dan om een échte stap te maken?
Altijd doe je alles met je handen in de zakken van je ribstoffen jasje, een sleets colbert. En als je ze laat zien, die handen, dan is het om een sigaret op te steken. Nog ouderwets, met een lucifer. Je rookt er altijd maar eentje als ik je daar zie lopen. Nooit zie ik je er meer dan één roken, hoe lang je er soms ook rondjes loopt.
De meeste mensen voelen zich bijzonder onprettig op deze plek, ze haasten zich altijd om weg te komen. Jij niet. Je voelt je hier, denk ik, wel thuis. Een desolate vlakte midden in de stad. Het eindeloze verval van de stad is hier verworden tot een tastbare atmosfeer. Een luchtbel aan ongeregeldheid, ingebed in het weefsel van de verder overgereguleerde stad.
Hier wordt niet geveegd, geharkt of aan onderhoud gedaan. Hier heerst het onbeheerste. En jij loopt er tussendoor, volledig op je gemak, maar met gebogen rug. Keer op keer, als een door God en iedereen verlaten stedeling, genietend van het niets dat je hier steeds weer lijkt te vinden. Alsof het leven op een grillige plek als deze waarachtiger is dan daar waar de mensen zijn.
Ik, andersoortig stedeling op drie hoog, kijk soms toe vanaf mijn balkon. Als je daar weer loopt, dan heeft het eigenlijk ook iets tragisch. Op die momenten vraag ik me dan af wanneer je nou eindelijk eens die beslissende stap gaat maken. Niet die op het klimrek, dat is slechts een begin, maar in het echte leven. De stap die je (eindelijk) definitief zal wegvoeren van deze plek en van de handelingen die je hier steeds herhaalt. Soms zou ik het, uit-plaats-vervangende-beslissings-drang, wel van mijn balkon af willen schreeuwen:
“Maak nou eens die stap!”
Het is weer de tijd van het jaar. Tijd voor een nieuw kleurtje op de muren van de slaapkamer en de vloer van de werkkamer. Dus moet er geklust worden. Het is niet zo zeer dat ik steeds uitgekeken raak op de kleur-an-sich, er zit meer achter. Schilderen betekent namelijk óók de hele kamer leeghalen. En dat staat dan weer gelijk aan rigoureus opruimen. Je hebt alles dan immers een keer in handen, en dus kun je het dan net zo goed wegmikken. Anders doe ik het namelijk niet, het dwingende karakter van een zelfopgelegd oorzaak & gevolg.
Helaas staat een nieuw kleurtje op de muren ook gelijk aan het kiezen, en laten mengen ervan. Noodzaak is dan een retourtje naar de verf-meng-balie van de dichtstbijzijnde bouwmarkt, want een ouderwetse verfwinkel in de stad kan ik niet meer vinden. De dichtstbijzijnde bouwmarkt is een verschrikking, waar ik iedere keer weer tegen op kijk als ik iets nodig heb. "Heb ik het écht écht nodig?" denk ik dan. En daarna stel ik het gewoon nog zo lang mogelijk uit, tot de noodzaak eindelijk groter is geworden dan die onontkoombare verschrikking.
Die verschrikking is ontstaan sinds bouwmarkten geen bouwmarkten meer zijn. Ik weet nog hoe het vroeger was, toen ik er bij eentje werkte, een echte bouwmarkt met échte materialen. Vroeger verkochten ze tenminste nog, ik noem maar wat: hout, schroeven en goeie stukken gereedschap om alles naar wens te kunnen bewerken (gangpaden twee, zeven en acht). Tegenwoordig is het er echter zoeken naar de ruwe materialen.
De hedendaagse bouwmarkt is namelijk het verlengstuk geworden van tv-programma's voor Vinex-publiek (en die ik dus liever niet kijk). Het resultaat is en een loods vol prullaria, dat bovendien ook nog eens trendgevoelig is. En we weten allemaal dat trends alleen kunnen ontstaan uit een totaal gebrek aan smaak. En daar dus een loods vol van, met een bijbehorend programma op tv. En zie daar: Dé verschrikking!
Zo was ik laatst op zoek naar een zak cement. Toen ik eindelijk beet dacht te hebben, bleek het betreffende materiaal door een etaleur te zijn opgesteld ter aankleding van de eigenlijke productlijn (lees dus: trendgevoelige troep). Daar kwam ik natuurlijk pas bij de kassa achter. "Mijnheer, het spreekt voor zich dat onze etalagestukken niet te koop zijn." Ik stond dus een beetje verward naar de zak cement op mijn karretje te kijken. Helemaal verschrikkelijk werd het toen bleek dat ze wel degelijk cement verkochten, maar dan alleen nog in dure doosjes van anderhalve kilo. Kom op zeg!
En dan heb ik nog niet eens gehad over het mengen van de verf...
Op het plankje in mijn badkamer heb ik standaard iets van deodorant staan. Trouw aan een merk ben ik daar absoluut niet in, het is me allemaal wel best, net als met al het andere. Qua merken dan. Vanmorgen viel mijn oog echter, wat bewuster dan tijdens aankoop, op de huidige spuitbus en alle onzin die daar op afgedrukt staat. Het meest verbaasde ik me over de term, houdt u vast: 'Met Oceaanextracten/Aux Extraits Oceaniques!' In vette zilveren letters langs de omtrek van de onderzijde.
Nou, écht het zweet breekt me uit. Gekmakend!
Want pardon? Ik heb iets gemist? 'Oceaanextracten.' Kom op zeg! Ga je moeder in de maling nemen! Nee? Oceaanextracten! Ga gauw weg! Nee, echt ik meen het. Die extracten waaraan, direct eronder in blauwe letters, 'langdurige frisheid' wordt toegeschreven? Precies die! Ok, ok...En misschien kan iemand mij dan uitleggen hoe die extracten precies gewonnen worden?
Sinds iedere levende ziel 'Das Parfum' van Süskind, wel één of twee keer of drie keer, heeft gelezen (of desnoods de verfilming heeft gezien), hoeft geen enkel marketingconcept of verpakkingsmateriaal nog een poging te wagen om een extract te claimen dat onmogelijk kan bestaan.
Het zal allemaal niet heel representatief zijn, wat er in het boek omschreven wordt, maar het geeft zeker een behoorlijk gedetailleerd beeld van alles wat er bij het produceren van extracten komt kijken. In ieder geval is het, voor de onwetenden, samen te vatten als: van héél erg veel vaste stof (bloemen, levensmiddelen, mooie blonde maagden), middels verschillende procedés, een héél klein beetje vloeibare stof isoleren. En dat daar dan toevallig ook nog alle geur in gevangen is. Op die manier, en niet anders.
Tegenwoordig bestaat er dus schijnbaar een procedé dat toepasbaar is op hele oceanen. En zelfs dan, de ene oceaan lijkt mij de andere niet, zoals er ook honderden/duizenden soorten magnolia, vanille, pepermunt en chocolade bestaan. En waar ruikt welke oceaan dan precies naar? Of is het een extract van hogere kwaliteit en hebben ze uit meerdere oceanen iets heel subtiels gecomponeerd? Ik vrees echter het ergste en toch claimen ze:
"Wat mannen willen."
Helaas staat er verder nergens omschreven van welke oceaan of oceanen ze precies een extract gemaakt hebben en hoe dat dan precies bijdraagt aan het lekker droog en fris houden van mijn oksels. Misschien ben ik overgevoelig voor holle woorden, loze kreten en lucht-lullerij, maar dit spant voor 2009 tot nu toe echt de kroon. Het is gewoon een regelrechte belediging van de argeloze consument! Ik let even een keertje niet op als ik een spuitbus deo in mijn mandje gooi, en ik heb ineens dergelijke stompzinnigheid op mijn badkamerplankje staan.
Nou, ze hebben werkelijk geen flauw idee van wat ik wil.
"En! Heb! Je! Het! Nog! Een! Beetje! Naar! Je! Zin?" blèrde een meisje in mijn linker oor. Nou is er op zich niet heel veel mis met mijn linker oor, maar tussen haar mond en mijn oor bevond zich een muur van geluid. Het was zondagochtend vroeg, mijn kroeg-vrienden-voor-die-avond lagen al lang op één oor, en ik was in een kelder beland waar een techno-feestje gaande was.
KEIHARDE techno!
Het maakte het voeren van enige conversatie volstrekt onmogelijk. En toch probeerde ze het weer:"Zin! Of! Je! Het! Naar! Je! Zin! Hebt?" Nu verstond ik het wel, maar ik deed van niet: "Huh?" Met een gebaar van ik-begrijp-je-niet. Ze haalde een keer diep adem, alsof ze het wedstrijdbad onderwater heen en weer ging zwemmen, en zette net in:"Of! Je!...Wacht! Oh!" Ze had door dat ik d'r in de maling nam, door mijn ogen verraadden, en ze trok haar (water)pistool, zette het tegen mijn voorhoofd en 'schoot'. Seconden later proefde ik wodka op mijn lippen branden.
Quasi gepikeerd keerde ze me de rug toe en ging elders dansen. Eigen schuld, natuurlijk. Maar even later voelde ik een por in mijn rug, en ik vermoedde een (water)pistool. Van schuin achter me werd, dit keer duidelijk verstaanbaar, in mijn oor geroepen: "Meekomen jij!" Ik liet me door het meisje naar een wat rustiger plek voeren. "Omdraaien!" En wie ben ik om dan niet te gehoorzamen? Dus een seconde later stonden we ongeveer neus aan neus. "En nou ga je me vertellen of je het naar je zin hebt!" zei ze expres te zachtjes. Ik antwoordde ontwijkend, en vroeg haar: "En heb je al iets gevangen vanavond?" knikkend naar het schepnet dat ze in haar handen had.
Ik werd direct gevangen.
"Nu moet je antwoord geven op mijn vraag!" terwijl ze me door het schepnet heen met haar (water)pistool tot antwoorden maande. "Ok, ok" en ik worstelde m'n hoofd weer uit het schepnet. "Ja!" antwoordde ik daarna. "Ja wat?" vroeg zij. "Eeuhm, ja ik heb het naar m'n zin!" verduidelijkte ik. "Waar heb je het over?" zei ze met een brede grijns. "Vertel!" en ze drukte het (water)pistool onder m'n neus, "Wat vindt je van mij?" "Euhm, surrealistisch" was mijn antwoord, duidende op haar handelen, haar (water)pistool, haar schepnet én het batmanpak(je) dat ze aan had. Ze moest lachen: "Mooi!"
Ze sprong in grote stappen terug naar de dansvloer, vanaf waar ik direct onder vuur genomen werd door haar (water)pistool. Quasi gepikeerd liep ik, natuurlijk, straal de andere kant op, naar de bar. Daar trof ik een indiaan op een kruk. Of om preciezer te zijn, een als indiaan uitgedost meisje op een kruk. Ik bestelde bier, en terwijl ik daar op wachtte zei de indiaan: "Ze vindt je leuk, ga naar d'r toe dan!" Ik kreeg mijn bier, betaalde en nam een flinke teug. "OK" zei ik tegen de indiaan, en ik liep terug richting dansvloer.
In het publiek speurde ik niet naar een schepnet, (water)pistool of batmanpak(je), maar naar het meisje dat mij het meest NORMAAL voorkwam. Ik maakte een vrij willekeurige keuze, liep naar haar toe, en blèrde in haar linker oor:"En! Heb! Je! Het! Nog! Een! Beetje! Naar! Je! Zin?"
Ze verstond me niet.
Iets, of beter iemand, vertelde mij dringend ook eens iets te schrijven over de dingen die mij BLIJ maken. Of beter, mijn levensvreugd. En dat dat, voor deze ene keer, eens een keer niets te maken mocht hebben met grijs weer, herfst, eenzaamheid of andere kenmerken die normaal op een kluizenaar van toepassing zouden kunnen zijn. Want, zo vertelde die iemand mij: "Dat wat je doorgaans aan stukjes schrijft, doet geen recht aan wie je eigenlijk bent. Je geeft, kortom, een zeer eenzijdig beeld, en wel dat van een getergde romanticus. Daar vallen alleen verknipte meisjes voor, en dát is toch niet wat je wilt, dat van die verknipte meisjes?" En dat alles, geloof het of niet, uit de mond van een mooi meisje.
"Hmz," ik zocht een verband.
Saillant detail: toen mij dit te kennen gegeven werd, zaten wij grote glazen wit bier met citroen te drinken op een terras in de zon. Ik in een shirt in de meest felle kleuren, voor de gelegenheid zelfs in korte broek en een fonkelnieuwe (dus hippe?) zonnebril op m'n hoofd. Dus daar gaat het al, dat eenzijdige beeld, totaal aan diggelen. Want zowaar, ook hij komt onder de mensen! Ik vertelde haar: "Dan schrijf ik wel eens een stukje over deze middag, aangezien dit aardig representatief is voor de dagelijkse gang van zaken, welke feitelijk niets met enige vorm van kluizenarij te maken heeft." Waarop het antwoord was: "Je doet maar, maar denk er aan: BLIJHEID! We lachten, en we dronken op een goed verhaal. Veel.
We hadden het die middag verder over van-alles-en-nog-wat. Eigenlijk alleen maar vrolijke dingen en BLIJE dingen. Een mooie fototentoonstelling die Nederland binnenkort zal aandoen, een goed boek dat ik die middag gekocht had en wat zij al gelezen had, en over een gesprek dat ze onlangs in de kroeg met iemand had en wat nogal schaamteloos opdringerig was en dus hilarisch in retrospectief, en zo verder en zo verder. Gewone mensen dingen, op een gewone mensen manier. Niets romantiek, niets herfst, niets eenzaam, m'n armen werden zelfs bruin en ik was blij en het was fijn!
En ik zag het verband.
In de romantiek loopt altijd alles tragisch af, ook met meisjes. Of ze nu mooi of verknipt zijn, daar maakt de romantiek geen onderscheid in. Overigens wordt daarin ook geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dus om tragedie te voorkomen, zal ik mijzelf wel moeten a-romantificeren, ik heb geen keus. Dus vergeet alles, en prent uzelf vooral in dat ik heel gewoontjes ben. Bedenk bijvoorbeeld dat de door mij meest bezochte supermarkt AH is. Hoe gewoontjes en a-romantisch is dát!? Tel daar nog eens bij op dat ik een zwak heb voor flauwe films (die het liefst nergens over gaan) en dan ben ik al een heel eind op de goede weg-der-a-romantiek. Wat mij dan tenslotte BLIJ maakt? Tomeloze, roekeloze liefde, natuurlijk!
Het is de duivel zelve, dat internet. Een eindeloze zee van interessante informatie, en ik, ik dobber er hulpeloos op rond in een klein reddingsvaartuig. Het is lek en vaal oranje door de felle zon en het zoute water. Toen ik vertrok, jaren geleden, was het nog nieuw. Een modern model was het bovendien, maar de nieuwe zijn veel sneller en beter en mooier. Ze schieten me aan alle kanten voorbij, die nieuwe modellen, en negeren mij.
Laatst was er kans op redding. Ik kwam dicht bij het vaste land, maar ging verder. Véél verder, naar plaatsen waar ik nog geen weet van had, mijn ondergang tegemoet. Dat is nu alweer, alles bij elkaar, bijna een maand geleden. Sindsdien heb ik er geen controle meer over, en het is nog maar afwachten wanneer zich weer een dergelijke kans voordoet. En of ik in staat zal zijn om die dan wel te grijpen.
"Jongeman, het is de hoogste tijd om er mee op te houden", was het laatste dat ik destijds hoorde. Maar ik stopte niet. Ik kón het niet, dat stoppen, en dobberde verder.
Het begon allemaal toen mij eens het slechtste overkwam. Sinds de bouwwerkzaamheden hier in de buurt een beetje op gang kwamen, was de zee aan informatie drooggevallen. Erg was dat allerminst, pretendeerde ik desgevraagd. Met een straffende regelmaat controleerde ik echter steeds of er alweer water zichtbaar was, maar dag na dag was het een uitgedroogde vlakte. De voorspellingen waren, dat het nog zo'n anderhalf jaar ging duren en tot die tijd lag mijn kleine reddingsvaartuig gedwongen ergens ongebruikt op een eindeloos strand.
Ik lag een stukje verderop, op een bruine handdoek met groene bloemen, en liet me onvrijwillig koesteren door de zon. Steeds als ik in slaap viel, dan droomde ik over de zee. Eindeloos verlangen voelde ik, en het leek steeds groter te worden. Bij monde van een rusteloos gefluister riep het me, het wilde me. Het dwong me tot een uiterst trage briefwisseling aan de duivel, in hanenpoten die de mijne waren. En ik schreef hem:
"Laat me varen, alstublieft?"
Af en toe, dan heb ik zo'n dag waarop ik gewoon niet vooruit schijn te komen. De lucht lijkt dan als een stilstaand massief om me heen te hangen, er is geen ontsnappen mogelijk op zo'n dag. Het laat zich niet voorspellen, ik heb nooit een idee van het wanneer, ook niet van het waarom. Ik weet alleen dat ik er geen vat op kan krijgen, en dat eigenlijk ook niet wil.
Dergelijke dagen beginnen altijd rond de gebruikelijke zeven uur in de ochtend, met het maken van mijn ontbijt. En al op dat moment weet ik dat het mis is, het voelt anders dan alle andere dagen, iets brakker dan normaal. Daarna constateer ik nog dat het grijze en grauwe weer die dag ook niet mee gaat werken. Het zal nooit eens zonnig zijn, op zo'n dag. Sterker, het weer is altijd slechts hinderlijk aanwezig zijn in de vorm van regen tegen de ramen. Een dag, kortom, waarop ik waarschijnlijk niet buiten de deur zal komen.
"Typisch een dag voor de meest melancholische muziek en romantische literatuur," denk ik op die dagen. En dan laat ik het maar zo zijn, want wat kun je anders? Later volgt de her-constatering dat ik alle boeken in mijn collectie al twee, drie, vier keer gelezen heb en alle cd's op zijn minst honderd keer geluisterd, en dat dat eigenlijk helemaal niet erg is.
Even later vind ik mijzelf dan in de woonkamer, languit liggend op een deken die ik op de vloer gelegd heb. Luisterend naar de mij bekende liedjes en zinnen lezend die ik ook letterlijk uit mijn hoofd weet. Zo'n dag is er aldus een van de meest aangename brakheid. Van grijs en grauw en her-constatering. En u begrijpt: het is een feest-der-stilstand die dag!
Sinds de invoering van het rookverbod ben ik begonnen met roken. Of nou ja, eigenlijk al een jaar daarvoor. Pas bij de invoering van het rookverbod werd het écht serieus, dat roken. Niet overdag, altijd in de avond en het weekend. Waarom ik ooit begonnen ben weet ik niet. Waarschijnlijk dacht ik, zoals bij veel dingen, 'waarom niet?!'
Het is ontstaan toen ik studeerde aan de academie in Amsterdam. Daarna is het ritueel blijven hangen, want ik ben gek op lange dagen en korte nachten. Regelmatig zit ik tot diep in de nacht in mijn werkkamer (voorheen studeerhok) te werken/tekenen/schetsen/schrijven/lezen. Langzaam is de gewoonte ontstaan om dat te doen in het gezelschap van een goed glas (rode) wijn en de nodige sigaretten.
Buiten een stad in diepe slaap, ik binnen bezig met m'n dingen, op een roes van alcohol, sigarettenrook en vermoeidheid. Precies het type romantiek-voor-een-eenzame-ziel dat ik doorgaans zoek. Keer op keer brengt het me in precies de goede mindset voor het grijpen van gedachten die anders ongrijpbaar blijven zweven in mijn hoofd. Tenminste, tot de volgende ochtend, want dan maakt die mindset doorgaans plaats voor een doffe hoofdpijn en een rauwe strot.
Ik heb mezelf er vaak om vervloekt, want dat gevoel heeft niets meer te maken met romantiek, creativiteit of vrijheid. Het is gewoon een gevoel van smerigheid. Niet mijn idee van een fris begin van de dag, dus het is genoeg zo! Ik leg mijzelf vanaf heden een rookverbod op, en ik ga me er aan houden.(Echt!)
De afgelopen dagen deed ik niets. Nu ja, ik deed wel iets, te weten: bewust niets doen. Dat werkt verhelderend, zo af en toe. 'Voor lichaam en geest', zou een willekeurige reclame zeggen. En om dat soort dooddoeners te snel af te zijn, voor mij dus even geen radio, tv, internet of telefoon. Ik hoor u denken, "is dat niet dodelijk SAAI?" En daar kan ik alleen maar mee instemmen. Het was inderdaad heerlijk saai!
De snelheid van het leven doet me de laatste tijd soms wat duizelen. Niet dat ik een ouwe vent begin te worden, nee, dat duurt nog heel wat jaren. Het is meer de gejaagdheid en oppervlakkigheid en veelvuldigheid en onoverzichtelijke complexiteit, die mij doen duizelen. En, en, en ...en, dat is dus het hele probleem, soms is het teveel. Dan verlang ik naar het overzicht van een eenvoudig ritueel of een simpel dagritme en voldoende slaap, een bijna volledige stilstand-der-dingen. Kortom, heerlijke traagheid!
Dus ik nam het er van en sliep precies lang genoeg, stond vroeg op en las de ochtendkrant. Genoot, in alle rust, een uitgebreid ontbijt en heb daarna uren achterelkaar zitten 'werken'. De helft van de tijd besteedde ik aan schetsen, de andere helft aan het schrijven van teksten. Zomaar en zonder doel. Er is dan, gelukkig, ook niets bruikbaars uitgekomen, behalve innerlijke rust.
Aan het einde van de dag at ik zeer goed, ondanks de culinaire misdaden die ik daarvoor beging. Wat zeg ik, dankzij! En daarna was er wijn, goeie wijn. Tegelijkertijd was er een heel aantal boeken dat al te lang op de plank stond om nog eens gelezen te worden. Een avondvullend programma, waarvan de samenvatting luidt: twee waren er érg goed, anderhalf waren taai en eentje, tot mijn vreugde, was hilarisch!
Dát ritme, genoot ik niet minder dan vier hele dagen achtereen, onder het toeziend oog van de zon. Kortom, ik heb mij in alle traagheid én saaiheid én eenvoud, uitstekend vermaakt. En nu, nu heb ik zin om goed duizelig te worden!
Hier en daar een kuch, gepiep van natte schoenzolen op de gladde rubbertegels bij het stoplicht. Links het geluid van een aanstormende vuilniswagen, aan de overkant het eindeloze getik van het voetgangerslicht. Daarachter het begin van een straat met wat kleine winkels, de opmaat naar het centrum.
Bruisen doet het hier nooit.
Een man, schuin voor me, schud zijn hoofd en vloekt iets binnensmonds bij het zien van stapels natte kranten tegen een lantaarnpaal voor de deur van de sigarenzaak aan de overkant. Direct steekt hij over, zonder nog oog te hebben voor het rode licht, een auto toetert woedend. Hij laat zijn sigaret evenwel rustig in de goot langs de stoeprand aan de overzijde vallen, loopt naar het rolluik van de zaak, hurkt en pakt het hangslot beet. Koud, roestig en nat. Met een beetje pech die nacht nog ondergezeken ook.
Uit zijn regenjas haalt hij een bos sleutels, kijkt nog een keer hoofdschuddend naar de natte kranten, vloekt nog een keer, maakt het slot los en zet dan het rolluik in beweging. Een moment later knippert binnen de tl-verlichting aan, en kan de week beginnen.
Groen.
Ik wandel in de richting van het centrum. In het voorbijgaan knik ik de man van de sigarenzaak een goededag, terwijl hij een bord met loterijreclame buiten zet. "Mogguh," zegt hij terug. "Zonde," zeg ik terwijl ik naar de kranten gebaar. "Tjah," en dan een diepe zucht van de man, alsof de natte kranten pas een voorbode zijn van wat vandaag nog komen gaat. Hij draait zich om met hangende schouders en sleept even later een tweede bord naar buiten.
Een eind verderop sla ik af naar links en volg de gracht een stuk in de richting van kantoor. Het water staat stil, groen en vol met afval, de werven verder nog verlaten. Typisch zo'n dag om te mijmeren over de zin van werken, of er direct helemaal mee te stoppen. Eenmaal voor de kantoordeur vis ik mijn sleutelbos uit de rechter zak van mijn jas en hoop dat het snel voorbij zal gaan. Ik draai de sleutel om en zet mijn volle gewicht tegen de deur.