Archief / Contact

Grieks eiland

We waren op een klein Grieks eiland met de naam Nisyros. Een dag-uitstapje vanaf een groter eiland, met een groep toeristen en een gids. Op een andere manier was er niet op een betaalbare wijze op het eilandje te komen, zo werkt het massa-toerisme.

De groep bestond voornamelijk uit Nederlanders, van de meest stompzinnige en luidruchtige soort en een aantal Engelsen. De gesproken taal was het meest opvallende verschil, overgewicht en roodverbrande gezichten de grootste gemene deler. Na een uur op de boot, waren we bij aankomst blij met de vaste grond onder onze voeten om de groep eindelijk te kunnen ontlopen en gingen het dorpje op eigen gelegenheid verkennen.

Het eilandje en dorpje waren van geweldige schoonheid. Kleine witte huizen met blauwe kozijnen in de kleur van de zee. Op het hoogste punt van het dorpje een kleine kapel waar jaarlijks vele duizenden mensen op bedevaart komen. Precies en helaas daar kwamen we onze groep weer tegen, in alle lelijkheid en luidruchtigheid, wars van enig respect voor cultuur.

Het geeft een raar gevoel om ergens rond te lopen als toerist en tegelijkertijd een grote hekel aan toeristen te hebben. Zo onmogelijk als een mens die een hekel aan mensen heeft.

Woensdag 29 April 2009 | Geen reacties

In de tram

Ik was in Den Haag en volgens de Hagenees bij de deur die mijn kaart stempelde was het: 'goffedomde tyfusweer'. Als klant ben je echt koning met een dergelijk staaltje inlevingsvermogen van het personeel. Tram 1 zat tjokvol en ik eindigde helemaal achterin op het hangjongeren-bankje.

De hangjongeren waren het er waarschijnlijk ook over eens dat het ' tyfusweer' was en waren met zijn allen thuisgebleven. Hun territorium, de laatste twee rijen stoelen, was echter duidelijk gemarkeerd. Ik nam met enige twijfel plaats op een ondergekalkt stoeltje. In grote zwarte letters 'SLET!' op de zitting en 'HOER!' op de rugleuning.

Voor ik ging zitten voelde ik even of de inkt niet zou afgeven, ondanks dat ik eigenlijk wel kon raden dat de teksten watervast zouden zijn. Op de rugleuningen voor me kleiner, maar meerdere keren, 'Ahmed is homo'. Ik had dus een zitplaats waarop je als weldenkend mens alleen maar zal twijfelen om voor een ouder iemand op te staan. Die zou een dergelijk normaal gebaar in dit geval als een belediging op kunnen vatten. 'Wilt u hier misschien zitten? SLET! HOER!'

Boven de rugleuning van de stoel een druipende oranje capuchon van een veelkleurige meisjesregenjas, gedragen door een jongen van een jaar of twintig. Ik schatte zo in dat hij geen Ahmed heette, maar Wouter of Niels, of zoiets. Naast hem een meisje van ongeveer dezelfde leeftijd.

Samen zaten ze hardop te filosoferen over het ontvluchten van het Nederlandse weer. Naar een land waar het altijd mooi weer zou zijn, en de mensen altijd aardig! Ze spraken erover met een naïef enthousiasme in hun stemmen. Alsof er ergens op aarde nog een tastbaar paradijs te vinden moet zijn, Utopia!.

Ik staarde uit het achterraam en had melancholische gedachten over de karige werkelijkheid waarin we gevangen denken te zitten. Een afkeer van slecht weer, aftandse trams en verloedering die mensen alles willen doen ontvluchten naar god weet waar. Een werkelijkheid van oppervlakkig ongeluk gebaseerd op kleine imperfecties, terwijl deze vaak van grote schoonheid kunnen zijn. Het is een kwestie van perceptie. In m’n gedachten lag Utopia plotseling in een tjokvolle tram 1 en ik was er koning.

Woensdag 29 April 2009 | Geen reacties